Buste van Schiller in het museum in Marbach


Schiller in Marbach

Ik ben op weg naar Marbach am Neckar. Alleen. Even ben ik de drukte, het jachtige stadsleven en het internationale gezelschap ontvlucht. De volkswagenbus was vanochtend feestelijk verpakt in sneeuwpapier zonder strik. Het volkswagenlogo nog net zichtbaar is als een sticker erop geplakt. Het is koud. De zon schijnt uitbundig. Mooie blauwe hemel. Mijn lievelingsweer.
Via de oostelijke ring van Stuttgart rij ik naar het noorden. Veel fabrieken, veel verkeer. Plotseling getoeter. Verschrikt kijk ik in de rechter buitenspiegel. Ik zie nog net dat ik een Duitser de pas heb afgesneden bij het inhalen. Ter verontschuldiging hef ik mijn rechterhand. Het is alsof hij weet dat ik nog moet ontwaken en dat ik op weg ben naar de geboorteplaats van één van Duitslands beroemdste zonen: de dichter, medicus en historicus Friedrich von Schiller. Wie gaat er dan toch ook in godsnaam op een vroege zondagochtend naar Marbach? Ik.
Steeds landelijker wordt het. En heuveliger en strogeler. Want wat groen was, is verkleurd. Ik ga me steeds prettiger voelen als ik naar het voorbijglijdende landschap kijk en via uitgestorven dorpjes steeds dichter bij Marbach kom. Na een bosrijk stuk zie ik het stadje liggen. Ik roep een beeld op van de stad, dat ik gezien heb in een aan prenten rijke biografie van Schiller. Een toen nog ommuurde stad, omgeven door heuvels met wijnstok beplant. Van de oude stadsmuur rest weinig. Alleen de Neckar is als altijd dwingend aanwezig. En de heuvels.
Ik parkeer de auto vlakbij de binnenstad. Uitgestorven. Iedereen is natuurlijk in de kerk. Ik verkeer per slot in een zeer protestantse en gelovige omgeving. Via Gassen, kleine smalle straatjes, waardoorheen ik wandel, toont Marbach mij zijn huidig aanzien. Kleinsteeds, gericht op toerisme, pogingen ondernemend de stad ook voor het bedrijfsleven interessant te maken.
Dan sta ik voor het geboortehuis van Schiller. Uiterlijk is het huis weinig veranderd. Ik herken het ogenblikkelijk. Ook de zijdeur is er nog en die verschaft toegang tot het kleine museum. Ik aarzel niet en stap naar binnen. Ik ben de enige bezoeker.
Een blonde dame, geheel in het zwart gekleed, kijkt op vanachter de balie.
Ik kijk in een vriendelijk en knap gezicht. Ze glimlacht en vragende ogen nodigen mij uit te zeggen dat ik graag wat in het museum wil rondlopen. Later krijg ik ook een korte verfilmde biografie te zien van de dichter, in een zaaltje met twaalf lege stoelen, groen van kleur.
Als ik ben uitgekeken, loop ik naar beneden en koop twee ansichtkaarten en dan vraagt ze me: Sind sie hier zufällig?
Ik leg haar uit dat daar geen sprake van is, dat ik doelbewust ter verpozing naar Marbach ben gereden. Maar die uitleg is natuurlijk onvoldoende. Welke gek rijdt nou helemaal vanuit Nederland naar Duitsland, om alleen maar in Marbach een klein museumpje te bezoeken?
Nou ik niet.
Ik leg haar uit, dat ik in Esslingen verblijf waar wij met vier landen werken aan een theaterproductie. En dat we in een vergevorderd stadium zijn: het stuk staat in de steigers en elk land weet wat het moet doen. Zelfs het verhaal is bekend en nu moeten we ieder onze eigen theaterstukjes, die we miniaturen hebben genoemd gaan uitvoeren en vastleggen. En dan in het voorjaar in Charleville, dan gaan we er een lopend verhaal van maken met een dramatische structuur, zodat het publiek hopelijk niet in een peilloos diepe slaap valt, zodra de acteurs het toneel opstormen.
Ze knikt. Ik weet zeker dat ze me niet vol medelijden aankeek. Als ik in de deuropening sta, valt het ochtendlijk strijklicht op haar gezicht. Nu pas zie ik hoe goudblond haar haren zijn. Het is hetzelfde strijklicht dat ik zag op een tekening van Schillers kleinzoon, die het geboortehuis van zijn grootvader in dat licht had vastgelegd.
Ze vraagt me nog, op de drempel staand, haar een programma te sturen als we weer terug zijn in Esslingen, om het theaterstuk op te voeren volgend (na)jaar. Ik beloof het haar en ze overhandigt mij het adres van het museum.
Esslingen, Duitsland, november 2007