een vertelling voor in de kersttijd
Een oude viool

Op een miezerige dag liep slager Toets over de Bossche markt en keek naar de viskraampjes die er verlaten bij stonden. Voor het eerst vielen hem de slogans op die de consument tot kopen moesten verleiden:
Een goede wenk, koop vis bij Henk of Loop niet om, koop vis bij Tom. Kennelijk is het nog steeds zo, dat wat je bezighoudt ook je aandacht trekt. Toets wilde o zo graag mee doen aan wat vandaag de dag iedereen doet: je klanten lokken met mooi vormgegeven folders, visitekaartjes en natuurlijk een slogan en dit alles in een eigen huisstijl opgemaakt.
Dat kan ik ook en zelfs beter, dacht slager Toets en enige dagen later prijkte op de ruit van zijn etalage, waarin hij zijn delicate vleessoorten en worsten uitstalde:
Voor iets goeds naar slager Toets.
Hij was dik tevreden, zijn klanten spraken hem er wel eens op aan en dan zei hij trots dat er geen reclamebureau aan te pas was gekomen. Visitekaartjes en huisstijl waren van later zorg, eerst maar eens afwachten of deze slogan aan zou slaan. Ja, slager Toets was een voorzichtig man, daarom ging hij niet over een nacht ijs.
Er was nog een reden voor tevredenheid, slager Toets leed soms aan zelfgenoegzaamheid, namelijk deze: de stad is in trek bij dagjesmensen, buitenlandse toeristen en ’ander gespuis’, zoals Toets zich wel een permitteerde te zeggen. En dat gegeven wist de gewiekste slager goed uit te baten. Op handige wijze verstrekte hij aan deze klandizie altijd iets meer dan waar ze om vroegen en stiekem verhoogde hij ook steevast de kiloprijs. Geen hond die erop lette en bedenk, mensen willen nooit onderdoen voor een ander en schamen zich zelfs, wanneer ze vragen welke de kiloprijs is van de lekkernij die zij zich van plan zijn aan te schaffen.

Het is je vast niet ontgaan, dat slagerij Toets niet zomaar een slagerij is.
Hij verkocht het beste vlees, de fijnste vleeswaren, delicatessen uit Spanje en Italië, uit streken als Toscane en Piemonte, toe maar het kon niet op bij Toets, waarop velen afkwamen ‘uit binnen- en buitenland’ zei Toets altijd, naast de uitgebreide en welvarende klandizie uit de stad zelf. Kortom het ging slager Toets voor de wind.

Het moet op een donderdagmiddag geweest zijn, want dan is het niet zo druk in de slagerij, toen een kleine man de winkel binnenkwam, die de slager meteen opviel. Hij droeg een net kostuum, weliswaar enigszins vettig ogend, was mager en hij wees op een voortreffelijke worstsoort in de vitrine, waarbij hij een vragend gebaar maakte. Slager Toets oordeelde dat deze vreemde snuiter of gek was, of doofstom of gewoon een van de vele buitenlanders die zijn nering bezochten.
Op luide en duidelijke wijze noemde hij de kiloprijs, waarop de vreemdeling met zijn handen de lengte van de worst aangaf, die hij wilde en mompelde:
‘Wurst, gut!’
Zie je wel, dacht Toets tevreden, alweer een buitenlander.
Uit een beduimelde knipbeurs wist de vreemdeling heel handig wat eurobiljetten te vissen, waarbij het Toets niet ontgaan was hoe mooi en slank de vreemde vingers waren. Een artiest misschien, dacht Toets vluchtig, maar al gauw liet hij die gedachte varen. Nadat hij de slagerij verlaten had, zonder iets te zeggen, was Toets hem al snel vergeten. Ach, zo gaat dat met toevallige klanten.

Toch zag Toets hem enige dagen later weer opnieuw, het was inmiddels december en de kersttijd was begonnen, je kon het overal in de stad zien, die in straten en op pleinen uitbundig kerstlicht uitstraalde. Nu zag hij hem staan voor zijn etalage, waarop in spiegelschrift zijn slogan te lezen was, onder het licht van een gouden kerstkrans, die Toets’ vrouw liefdevol had opgehangen. Op zijn rug droeg de vreemdeling een koffer waarin een muziekinstrument zou passen. Toets zag hem aarzelen, probeerde zijn blik te volgen en meende te zien dat hij nu een wel zeer dure en voortreffelijke worst in het vizier had gekregen. Het was niet druk, dus het moet wel weer een donderdagmiddag geweest zijn.
Hij trad de winkel binnen en wees op de worst en gaf opnieuw de gewenste lengte aan. Het bedrag dat hij op de toonbank moest leggen was behoorlijk hoog. En toen hij het vereiste geld niet uit zijn beduimelde knipbeurs kon opvissen met zijn mooie en slanke vingers, zei hij:
‘Kein Geld, nicht genug Geld, Frau krank.’
Hij sprak weliswaar iets wat op Duits leek, maar aan zijn accent te oordelen kon Toets zijn werkelijke nationaliteit niet vaststellen. Daarvoor was de buitenlandse ervaring van slager Toets te gering. Hij kwam wel eens in het buitenland en was dan vooral daar te vinden waar men ook Nederlands sprak, aan de Spaanse oostkust met name en at dan bij voorkeur in een snackbar waar hij zich thuis kon voelen, zoals die tent in Estartit, die zich aanprees met de slogan:
Eet friet bij Piet. Kijk dat was nou eens een kernachtige slogan, die Toets wel aansprak. Maar de zijne was beter, dat spreekt. Liever was hij thuis om zelf te verdienen aan het buitenland.
‘Kind auch krank,’ vervolgde de vreemdeling zijn betoog, waarop slager Toets een diepe zucht slaakte.
Ja, ook dat nog, dacht Toets en wenste de vreemdeling zo snel mogelijk zijn winkel uit. Hij voelde zich altijd zeer ongemakkelijk in dit soort situaties. Zijn vrouw zou dan zeggen: ‘Ik trek dit niet.’
Toets had geen tijd tot nadere bespiegelingen over deze spirituele uitspraak van zijn vrouw, want de vreemdeling bleek heer en meester te zijn van de situatie: hij toverde triomfantelijk een viool uit zijn rugkoffer en zei:
‘Ich nimm Fleisch, du nimmst Geige, ....... Violin, jah?’ verklaarde hij zich nader.
‘Ich bring Geld, dann du geben mir Geige.’
‘Jah?’
‘Arme donder, ‘ mompelde Toets, zijn vooroordelen koesterend. Hij nam de viool aan en legde hem naast de kassa neer, waarmee hij te kennen gaf dat hij de overeenkomst was aangegaan.
‘Nein, nein,’ verhief de vreemdeling zijn stem. Verbaasd keek de onzeker geworden Toets de man aan.
‘Geige muss hangen, Jah! Hangen, oben hangen’ en hij tastte met zijn ogen het plafond af.
Nu pas zag Toets dat aan de viool een touwtje was bevestigd, waarmee hij inderdaad kon worden opgehangen.
‘Ik hang hem wel in een kast,’ zei de beteuterde Toets.
‘Nicht im Kast hangen, nicht gut für Geige, hier hangen im Laden. Hier kühl.’
Tussen de dozijnen worsten die aan een stang hingen achter de toonbank in de winkel, liet hij het touwtje over een vleeshaak glijden, terwijl hij diep zuchtend zei:
‘Ook goed, jij je zin.’
‘Wenn ich langs komme, ich siehe Violin ist da, jah?’ beëindigde de vreemdeling zijn betoog en verdween breed lachend uit de winkel, slager Toets in verwarring achterlatend. Verbaasd keek hij naar de bungelende viool, een vreemd object tussen al die worsten. Uit een la van de toonbank pakte hij een groot schrift en noteerde:
Musicus, gerookte worst en nu keek hij op het etiket van een soortgelijke worst en schreef over: Bologna, Italia, € 49,95.

Sommige klanten merkten de viool op en stelden vragen waarop Toets een rood hoofd kreeg en iets mompelde in de trant van ‘voor iemand in bewaring genomen’ en tegelijkertijd verwenste hij de vreemdeling naar het ongewisse. Hij had zich voorgenomen zodra hij weer zijn winkel betrad, hem de viool terug te geven en hem zijn schuld kwijt te schelden. Je moet toch wat voor je medemens over hebben, nietwaar? Maar de week liep ten einde, zonder dat de vreemdeling zich liet zien. Het hinderlijk gevraag van zijn klanten was opgehouden en van tijd tot tijd kon Toets zelfs de viool vergeten.

Op een donderdagmiddag, het was niet druk namelijk in Toets’ slagerij, kwam er een nieuwe klant binnen. Het was een keurig geklede heer, nog jong en in het bezit van een dure auto, die hij in de Verwersstraat had geparkeerd. Toets meende dat het een Jaguar was. Wat zat de man toch keurig in het pak. Hij kwam van buiten de stad, want ach deze stad is zo klein, dat iedereen elkaar wel van iets kent. Deze voorname heer sloeg een flinke partij zeer voortreffelijke en fijne vleeswaren in. En denk je dat hij naar prijzen vroeg? Dat was beneden zijn stand. Waar hij naar vroeg was kwaliteit, alleen die telt, zei hij eenmaal achteloos. Zulke klanten waren zelfs voor Toets zeldzaam. Deze man beviel Toets zeer. En toen hij moest afrekenen tastte hij in de rechter binnenzak van zijn kostbare colbert en viste uit een dikke stapel eurobiljetten een briefje van € 250, dat hij op de toonbank legde alsof het een oude krant was. Het was Toets niet ontgaan hoe mooi en slank zijn vingers waren, maar zijn aandacht werd afgeleid door de gefronste wenkbrauwen van zijn chique klant. Terwijl hij het wisselgeld uit de kassa haalde vroeg de heer in weliswaar onberispelijk Nederlands, maar enigszins bekakt:
‘Is die viool van u?’
Nee, Toets had het ding in bewaring voor iemand uit zijn klantenkring.
‘O, maar u handelt wel in violen?’
‘Helemaal niet,’ zei Toets.
‘Neemt u mij niet kwalijk,’ verontschuldigde de man zich, ‘mijn vak is het wel. Zou u het vervelend vinden als ik hem even van dichtbij mocht zien?’
Toets antwoordde zijn ergernis verbergend: ‘Als u dat zo graag wilt.’
Hij nam de viool van de haak en reikte hem de man aan. Hij hoopte vurig dat er geen klant zou binnenkomen, wat natuurlijk ook niet gebeurde, want het was donderdagmiddag.
Behoedzaam bestudeerde de man de viool, draaide hem rond, kneep zijn oogleden samen en maakte een zonderling fluitend geluid tussen zijn tanden.
‘Hoe komt dit instrument in godsnaam hier?’ vroeg hij verbijsterd.
Opnieuw legde Toets uit dat het niet zijn viool was, maar dat die hem in bewaring gegeven was.
‘Dan gebruikt die persoon deze viool nooit?’
Toets moest hem het antwoord schuldig blijven.
Met kennersblik bestudeerde de man de viool, hield hem in een bepaalde stand ten opzichte van het licht en zei tenslotte:
‘Wat u hebt afgesproken met uw cliënt gaat mij natuurlijk niet aan, het is mijn zaak niet, maar ......
‘Wat is er dan met die viool?’ vroeg Toets nu enigszins opgewonden.
‘Luister,’ zei de nette heer, ‘hebt u enige kennis van violen?’
Toets schudde zijn hoofd en hij vervolgde:
‘Ik hou van eerlijk en rechtstreeks zaken doen. Ik vertel mensen altijd wat dingen waard zijn en ik verzwijg niet dat ik streef naar een win-winsituatie. Natuurlijk is deze viool in hoge mate genegligeerd.’
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg Toets nu hevig geïnteresseerd.
‘Ik bedoel dat hij moet worden nagekeken en dat kost wel enige honderden euro’s maar ik wil niet ontkennen dat hij op de vioolbeurs in Utrecht toch zeker zo’n acht à tien mille zal opbrengen.’
‘U zei acht tot ....,’ Toets snakte nu naar adem.
‘Maar dat geef ik er niet voor, ik blijf aan de voorzichtige kant, je weet maar nooit in deze tijden, ik reken voor herstel op zo’n driehonderd euro, ik geef u ehhhhh..... vijfduizend euro contant.’
‘Maar dat ding is helemaal niet van mij,’ zei Toets ademloos.
Met een vermoeid gezicht reikte de man Toets de viool aan en zei:
‘Het is aan u welke regeling u treft met uw cliënt, daar blijf ik buiten, u kent mijn prijs.’
‘Cliënt, cliënt,’ zei Toets geërgerd, ‘ik weet niet eens waar die man woont.’
‘U denkt toch zeker niet dat de man niet terug zal komen, iemand die zo’n viool achterlaat.’ De nette heer liet duidelijk blijken dat hij weinig waarde hechtte aan de woorden van Toets en vervolgde:
‘Donderdagmiddag ben ik weer terug, ik breng u de vijfduizend euro mee, maar ik handel uitsluitend rechtstreeks met u.’
Achteloos nam hij het wisselgeld van de toonbank, stak de fijne vleeswaren bij zich en verliet de winkel. Toets stond lang als aan de grond genageld, daarna wilde hij de viool weer aan de vleeshaak ophangen, bedacht zich en hing hem op in een kast in het achterhuis.

De volgende middag tegen drie uur begon Toets te bibberen. Voor het etalageraam zag hij de vreemdeling, die niet alleen zijn fijne vleeswaren bestudeerde maar ook speurend keek naar de vleeshaken of die viool er misschien ook tussen hing.
Ten slotte ging de winkeldeur open en de man verscheen snel voor de toonbank:
‘Geige nicht mehr da, Violin nicht mehr da?’ vroeg hij op angstige toon.
‘Ik heb hem binnen opgeborgen, het is een ...’, maar opeens zweeg hij, hij wilde zeggen ‘een kostbaar instrument’, maar slikte deze woorden nog juist op tijd in.
‘Du musst Violin da hangen,’ zei de man met smekende blik.
‘Oh, u komt hem niet terug halen?’ vroeg Toets nu oprecht geïnteresseerd.
‘Nicht Geld genug, Frau noch krank, schon wieder Fleisch und Wurst kaufen.’
Hij wees op een fijne gerookte ham uit Toscane en begon weer allerlei hoeveelheden en afmetingen aan te duiden van andere worsten even kostelijk en zorgvuldig bereid als gebruikelijk in het culinaire buitenland, toen Toets hem meedeelde:
‘Ik wil die viool van u kopen.’
De vreemdeling uitte een kreet, week naar achteren en zei bijna wanhopig:
‘Ich verkaufen Geige? Nie verkaufen Geige. Violin immer in Familien, Vater, Sohn, wieder Sohn. Solange Familien da, Violin da. Wat soll ich machen ohne violin?’
‘Geld maken,’ zei Toets, ‘ik wil hem van u kopen.’
‘Noch nicht für tausend Euro, kann nicht verkaufen.’
Niet voor duizend euro nee, bedacht Toets zich, maar wel voor iets minder. Hij moest nu zijn slag slaan, zijn hart klopte snel, maar hij bibberde niet meer.
‘Was wielt u sagen?’ vroeg de man.
‘Ik geef u vijfhonderd euro voor de viool.’ De toon waarop Toets dit zei was uiterst zakelijk. Het uitzicht van contant geld maakt alle mensen zwak, dat zag Toets nu voor eigen ogen bevestigd. De vreemdeling scheen aan een zware innerlijke strijd ten prooi.
‘Viool ist mein Freund. Ich kann nicht verkaufen, aber ich habe Geld nodig, jah, later ich kaufen andere Viool ich wiel wel verkaufen für tausend Euro.’
‘Dat is wel wat veel,’ zei Toets en hij wilde ervan af, deze business was niet zijn core business en hij was bang voor eventuele klanten die de winkel zouden betreden om hun kerstbestellingen te doen. De man leek opnieuw ten prooi aan een vreselijke innerlijke strijd, maar gaf zich gewonnen en zei met tranen in zijn ogen:
‘Schrecklich, ich muss verkaufen, aber Frau krank und ..’
‘Is uw kind ook nog ziek?’ hielp Toets vriendelijk.
‘Ja, Kind auch krank, gut ich verkaufen.’
Toets ging nu snel tot actie over. Hij haalde uit het achterhuis het verschuldigde bedrag, met het geld en de viool kwam hij weer in de winkel, gaf het de man het bedrag en deze kreunde bij het zien van zoveel geld of bij het verlies van zijn viool dat was niet uit te maken en verdween uit de winkel.
Toen de man vertrokken was betreurde Toets dat hij niet bedongen had om de schulden die de man bij Toets had in mindering te brengen op de prijs van de viool. Dit ergerde hem even, maar was nu niet meer van belang.

Het werd donderdag, maar de nette heer liet zich niet zien. Het werd vrijdag en de daarop volgende week donderdag, het was nu bijna kerst. En nog was de nette heer niet komen opdagen. Toets werd onrustig en hij werd geplaagd door vreselijke gedachtes. Hij sliep niet meer en zijn vrouw zei: ‘Ik trek dit niet meer’, toen hij op een middag zijn winkel sloot en hij zich naar de stad begaf, naar de winkel van de vioolbouwer, heer Paardekoper. Diep haalde hij adem, trad vervolgens de winkel binnen, nam de viool uit het koffertje en zei:
‘Deze viool wil ik verkopen.’
‘Juist ja’, zei de vioolbouwer geringschattend, ‘en daarna een andere viool kopen zeker’, terwijl hij het instrument meteen terzijde legde.
‘Ja, maar eerst wil ik deze verkopen,’ hield Toets vol.
‘Het is ook altijd hetzelfde liedje. Zo’n flutding kopen, dan vioolles nemen en dan blijkt het niks te zijn. Waarom niet wat geld gespaard voor een fatsoenlijk en toonbaar instrument, meneer? Wat hebt u hiervoor betaald?’
‘Dat ding is niet van mij,’ zei Toets dof, ‘ik moet hem verkopen voor een vriend.’
‘Zo’n ding heb ik liever niet in de zaak, ik zal hem voor u proberen te slijten aan een lokaal toneelgezelschap, die hebben zoiets wel eens nodig.’
‘Goed, zei Toets, ‘maar wat kan ik er voor krijgen?’
‘Ik denk niet meer dan tien euro, als hij in een stuk niet bespeeld hoeft te worden, maar het kan wel even duren.’

In diepe treurnis gedompeld verliet Toets de winkel van Paardekoper en liep in de richting van café Het Veulen in de Uilenburg, van verre hoorde hij vrolijke kerstliederen.