Bolsena, Italië


Over Blazen tot honderd, een novelle van de schrijver Geert van Beek
De zon in ballingschap
een essay

Door Peter Kortz

Eigenlijk alleen maar in kleine kring is Geert van Beek (1920 - 2001) nog bekend. Zijn werk, ook klein maar dan van omvang, verschijnt bijna niet op leeslijsten van middelbare scholieren. Zijn boeken worden niet meer herdrukt. Wel kun je ze voor weinig geld bij bibliotheken kopen, waar ze nauwelijks nog uitgeleend worden. Luttele jaren na zijn overlijden lijkt hij al vergeten. Toch is hij van meet af aan gelauwerd, zijn werk heeft aandacht gekregen, ook landelijk. Het grote publiek heeft hij nooit bereikt, wel een kleine groep trouwe lezers, waaronder Kees Fens (criticus, later hoogleraar), wijlen Cornelis Verhoeven (filosoof en hoogleraar) en Wiel Kusters (hoogleraar, dichter en publicist). Een hernieuwde belangstelling voor zijn werk is op zijn plaats.

In onderstaand artikel probeer ik door te dringen in de poëtische novelle Blazen tot honderd, een kleinood, waarin Van Beek een verliefde jongen zijn liefde voor Moniek laat zien door de strijd aan te gaan met het noodlot, even vergeefs als de tuinman die de Dood aantrof in Isphahaan, waarheen hij was gevlucht. De oorlog, die nooit meer uit het leven van de auteur is verdwenen, de beelden die hij heeft gezien bij een bombardement op Nijmegen, zijn onuitwisbaar achtergebleven in zijn gemoed, zodat ze een bron konden worden voor zijn schrijven. Het bombardement keert terug in Blazen tot honderd in de zaadjes van de uitgebloeide paardebloem, symbool voor een altijd aanwezig gevaar, een dreiging die je naar het leven staat.

Herinnering
Ik heb bij Geert van Beek in de klas gezeten, hij heeft op mij indruk gemaakt en toen ik hem samen met zijn vrouw langs ons huis zag wandelen in Den Bosch en hem even later kon aanspreken zei hij plagerig tegen mijn kinderen: 'Ik heb jullie vader Nederlands geleerd.' Het was een paar maanden voor zijn dood.
Als ik terug denk aan de tijd dat ik les kreeg van Geert van Beek, herinner ik mij alleen maar zonnige dagen. Niet dat al zijn lessen zo feestelijk waren, maar het weer werkte kennelijk altijd mee. Toch was het ook wel eens winter.

Toen ik in de eerste klas zat van het Zwijsen College te Veghel, hadden we opeens een nieuwe leerlinge in de klas zitten. Hoe ze heette weet ik niet meer. Ze was klein, slank, ze oogde heel broos en ze had een prachtige bruine huidskleur. Het was een beeldschoon meisje, dat zomaar uit het Stenen Tijdperk van Nieuw Guinea de moderne wereld was ingestapt. Even maar zat ze bij ons in de klas. Op een dag in de winter begon het buiten plotseling te sneeuwen. Ze keek naar buiten, ze zat vlakbij Van Beek tegen zijn lessenaar aan, die in die tijd nog verhoogd was. Al haar aandacht ging uit naar de neerdwarrelende sneeuwvlokken. Ineens hield Van Beek op met lesgeven. Hij leek zich iets te realiseren. Hij vroeg aan het Papoea-meisje: 'Je hebt het natuurlijk nog nooit zien sneeuwen?', terwijl hij met zijn linkerhand over zijn borstelige, zwarte wenkbrauwen wreef. Ze schudde haar hoofd. Samen met haar en Van Beek hebben we toen enige tijd naar buiten gekeken. Het was alsof we opnieuw ontdekten wat sneeuw was en dat die kon vallen in de winter.
Zulke ervaringen kon je alleen bij Van Beek hebben, hij was er de man naar er oog voor te hebben en vooral gevoel. Dit gevoel voor de poëzie, die in kleine dingen zit heeft Van Beek verwerkt in zijn, wat ik noem meest poëtische novelle. Poëtisch door de indrukwekkende invloed van het natuurgeweld, dat een sterveling slechts kan ondergaan. Poëtisch door de overweldigende liefde die de hoofdfiguur onhandig koestert voor zijn vriendin.

Nog een herinnering en een waarschijnlijkheid
Het zal geweest zijn nog voor de zomer van (.....), ik zat in de tweede klas toen Van Beek ons vroeg om op zoek te gaan naar uitdrukkingen, die te maken hadden met bijgeloof of met volkse wijsheden. Van de vele uitdrukkingen die we in de les bespraken weet ik er nog een, omdat zo velen van ons ermee op de proppen kwamen: als je een uitgebloeide paardebloem blazend probeert te ontdoen van zijn zaadjes en ze laten allemaal los, dan word je honderd. Vrijwel de hele klas wist van het bestaan af en sterker nog we probeerden ook blazend honderd te worden. De omgeving van het dorp Veghel was vergeven van weilanden en bloeiende paardebloemen. Geert van Beek kende deze volkse wijsheid niet en was zeer verbaasd dat zij zo wijd verspreid was.
Een jaar later kende ons land een zeldzaam strenge winter, een winter die Reinier Paping tot volksheld heeft gemaakt.

Deze twee gegevens, de paardenbloem en een strenge winter keren terug in Blazen tot honderd. Natuurlijk kan er sprake zijn van toeval, dingen gebeuren nu eenmaal zoals ze gebeuren, maar de verbeelding bij schrijvers vindt toch vaak haar oorsprong in doodgewone alledaagse gebeurtenissen of natuurverschijnselen. En voor die natuur is Van Beek heel gevoelig. Hij ervaart de wereld om hem heen met een sensibiliteit van een kind. Hij is zijn kind-zijn nooit vergeten. Als je als lezer gevoel hebt voor dit gegeven dan treed je moeiteloos, maar vooral ademloos het spannende en zeer gevaarlijke universum binnen dat Van Beek heeft geschapen in Blazen tot honderd. De achteloze lezer zij gewaarschuwd.
De novelle is het verhaal over twee jonge mensen, die zich realiseren dat leven niet zonder gevaar is. Hun tocht door het rivierenland symboliseert dit besef. Voortdurend bestaat er de dreiging van een fatale gebeurtenis, het verhaal sleept je mee in de fantasiewereld van de jonge held Maurits, die wel handelingen blijft verrichten in de werkelijkheid, die tegelijkertijd niet zonder gevaar zijn. Maar in zijn verbeelding is hij de alle gevaren trotserende held. De werkelijkheid staat op gespannen voet met de verbeelding. Toch is Maurits geen dagdromer, hij kijkt goed om zich heen en ziet ook de werkelijke gevaren. Meteen al in het begin van de novelle, wanneer Maurits op weg is naar een geheime afspraak met zijn vriendin Moniek en langs een benzinepomp loopt waar een truck benzine (cursivering van mij, PK) tankt, schrijft Van Beek: 'De truck was gehuld in benzinedamp, onzichtbaar, des te gevaarlijker.' (Cursivering van mij, PK) Dat zet de toon van het verhaal. Onzichtbaar is het altijd aanwezige gevaar. En Maurits is verbijsterd dat volwassenen 'zo achteloos omgingen met het leven.' (blz. 7 )

Zomer
Twee jonge mensen, kinderen eigenlijk nog, - 'te klein om te vrijen, te groot om geen achterdocht op te wekken' (blz. 26) - gaan op expeditie. De jongen zegt dat hij zich goed heeft voorbereid, hij heeft zich uitgerust met middelen die hem het overleven mogelijk maken. Niemand weet hoe te leven, niemand heeft ervaring met het leven, pas als je oud bent, maar dan leef je niet lang meer. Je moet je wel goed voorbereiden om je staande te houden. Je moet bovendien de sensibiliteit hebben van de woudloper om de gevaren ook te zien en aan te voelen. Het doel van de tocht is de verboden rivier, die hij samen met Moniek opzoekt. Aan de einder zien ze 'hoge schoorstenen van fabrieken als waarschuwend opgeheven vingers aan de horizon', (blz, 8), het zijn lange vingers van baksteen, die ons een memento mori voorhouden.

Aan de over van de rivier staand, ziet de jongen plots een kadaver in het water drijven en tot grote ontsteltenis van zijn vriendin begint hij op het drijvend lijk in te slaan. Hij wil de dood te lijf gaan die opnieuw een bedreiging vormt voor de mens, kadavers toch verspreiden ziektes en kunnen epidemieën veroorzaken. Van Beek schrijft dan ook zodra de jongen uit de rivier stapt: ' (...) een epidemie ging aan wal.' (blz. 22). De jongen zich zo bewust van alle gevaren, weet een manier hoe je de dreiging van dood en verderf kunt bezweren. Pluk uitgebloeide paardebloemen en blaas alle pluisjes er ineens af, dan word je honderd. Alleen het lukt nooit iemand om alle pluisjes in een keer weg te blazen. Kun je dan beter niet blazen om nieuw onheil te voorkomen?

Najaar
Hevige stormen, overvloedige regenval. Rivieren treden buiten hun oevers. De jongen en het meisje gaan door weer en wind op pad. Het is gevaarlijk, de dijk kan doorbreken, de rivier is een onheilspellende zee geworden. Samen met Moniek moet Maurits 'de dijken gaan inspecteren'. Het kolkende water nodigt hem zelfs uit een roeitocht te wagen. Gelukkig mislukt de roeitocht op het ziedende water, want de boot werd teruggedreven richting wal. De jongen moet deze heldendaden verrichten, want in zijn hart hunkert hij naar Moniek, die alles met hem wil ondernemen, maar toch voorzichtig is en bang en angstig kan zijn als ze naar het woedende water kijkt, dat haar gevaarlijker voorkomt dan het water bij storm aan zee. De verliefde jongen vindt zelfs de juiste taal om zijn gevoel uit te drukken, die gesublimeerd niets anders is dan zijn intens gevoel van liefde voor Moniek.
'De zon is in ballingschap,' zei hij. 'Het grote licht treurt om de regen. Het grote licht treurt om het water dat alles verdrinkt.' (blz. 35)

Winter
Een enorme ijsvlakte strekt zich uit, een ruimte groter dan de rivier in de zomer inneemt. Door de overvloedige regenval is er een enorme ijsvlakte ontstaan die het meisje Moniek te groot en dus te bedreigend vindt. Zij wil die onmetelijke ruimte terugbrengen tot een ' kleine wereld van gezelligheid en opwinding.' Opnieuw gebruikt Van Beek formules, maar nu bijbelse: 'Er zij ijs', en even verder: 'De jongen zag dat alles goed was.' (blz. 41) Beiden zijn klaar om te gaan schaatsen. Hij zoekt de onmetelijke ruimte op als een ontdekkingsreiziger, zij de beslotenheid van de gezelligheid, die haar noodlottig zal worden. Haar angst voor de ruimte, het onbekende is haar noodlottiger zelfs. Ze verlangt naar haar vriend en vraagt zich af waar hij uithangt, maar het ijskoude water snijdt haar al de adem af. Ondanks Maurits' bezweringen vindt zij een vrieskoude dood.

Een onafwendbaar einde
Van Beeks novellle beschrijft in wezen het verloop van een mensenleven in een notendop, een leven dat niemand kent, pas als je oud bent en nog net niet dood, zie je voor je wat je achter je hebt gelaten. Toen je aan dat prille volwassen leven begon, wist je helemaal niets. Maar het besef je ervoor uit te rusten was wel aanwezig, zoals een woudloper, die elk moment zijn leven niet zeker is en zich moet voorzien van hulpmiddelen die de overlevingskansen groter maken. Er is een onstuitbare drang om te leven in de novelle, Kusters (Kusters, 1990, blz. 23) beschrijft dat als de 'De zucht naar een bevrijdende leegte...', die naar mijn idee bij Geert van Beek vooral een sterke drang is om te (over)leven, voorzien van middelen die het mogelijk maken de dreigingen het hoofd te bieden. Leven blijkt uiterst riskant, ook al zijn de tekens er niet naar, het is een prachtige dag, de zon schijnt, niemand verwacht onheil. Toch kunnen er vreemde en noodlottige dingen gebeuren. Maar er is hoop. Zoals natuurvolken die in de magie geloven van planten, in de uitwerking van kruiden op je handelen, zo kun je je wapenen tegen het loerende onheil door tot honderd te blazen en daarvoor heb je paardebloemen nodig die daartegen beschermen. Maar het zaad van de paardebloem herinnert ook aan het mogelijke onheil, want als je blaast dan zijn de zaadjes als parachuutjes waaraan bommen hangen, zo legt Maurits aan Moniek uit.

Dit besef van altijd dreigend onheil zou ontstaan kunnen zijn toen Van Beek ooggetuige was van een verwoestend bombardement op de oude binnenstad van Nijmegen. Een te begrijpen miskleun van de Geallieerden. Wiel Kusters wijst er terecht op: 'Beelden van die ramp hebben zich voorgoed in zijn proza vastgezet.' (Kusters, 1990, blz. 9). Deze gebeurtenis is volgens Kusters indirect aanwezig in Blazen tot honderd. 'Indirect en verhuld spreekt hij er, als ik het goed zie, over in terloopse zinnen uit Blazen tot honderd (1967).' (Kusters, 1990, blz. 9)
Het noodlottige bombardement van Nijmegen was naar mijn idee voor Van Beek een samengebalde explosie van alle gevaren, die de mens dagelijks naar het leven staan.

Van Beek houdt van bezweringen en in het volkse bijgeloof zijn uitdrukkingen aanwezig die de mens in zijn hopeloze zoektocht tot steun zijn. Wijsheden, veelal eeuwenoud, waaraan ook door mensen die het maar flauwekul vinden waarde wordt gehecht. Misschien verklaart dit het opmerkelijke feit in de novelle, dat hij heel gevoelig is voor de taal van krant en tv-journaal, die in formules bijna, spreken over de dagelijkse gebeurtenissen. Alsof alleen op die manier al het menselijk onheil bezworen kan worden, ook al heeft het noodlot reeds toegeslagen. Van Beek maakt gebruik van beschrijvingen als: de rivieren treden buiten hun oevers, een matige tot krachtige wind, aan de kust harde tot stormachtige wind, ons land vindt van het water veel overlast, tragische vondst, stoffelijk overschot, verregaande staat van ontbinding, de trieste balans, de verslagenheid onder de bevolking is groot. Zoals nieuwslezers in - je zou bijna zeggen - Homerisch aandoende vaste formules grip proberen te krijgen en zo het natuurgeweld in gebeeldhouwde taal proberen te vatten, zo probeert Van Beek met diezelfde formules de gevaren die de twee jonge en verliefde kinderen bedreigen te beschrijven in een poging het onheil te voorkomen.

Geraadpleegde literatuur
Geert van Beek, Blazen tot honderd, Em. Querido's uitgeverij N.V. , Amsterdam 1967
novelle, 59 bladzijden
Wiel Kusters, Een hemd met paardjes. Over het werk van Geert van Beek, Het Noordbrabants Genootschap, 's-Hertogenbosch, 1990. Een uitgave ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Geert van Beek.
Fons Sarneel, Hondeweer in Holland, recensie in: Vrij Nederland, 16-12-1967

© Peter Kortz, 's-Hertogenbosch, juli/oktober 2003

Over Geert van Beek
Geert van Beek is een Nederlands prozaschrijver en dichter (geboren in Gennep 13 maart 1920 en overleden op 2 januari 2001 te Veghel) Aanvankelijk werkte hij als onderwijzer op een lagere school aan de Nijmeegse Bijleveldsingel, later als leraar Nederlands op een middelbare school te Veghel. Hij debuteerde in 1960 met de roman
Een hand boven de ogen. Dood en oorlog, erotiek en religie zijn terugkerende thema's in zijn werk. Niet zelden verandert een realistisch verhaal in een fantastische werkelijkheid, waardoor zijn bescheiden oeuvre een algemene betekenis krijgt. De steek van een schorpioen (1968) en De 1500 meter (1971) behoren tot zijn beste verhalenbundels.

Literatuur: over Van Beek

Raam, 60 (1970), Geert van Beek-nummer
H. Bousset, in: Schreien, schrijven, schreeuwen (1973)
J. van de Sande, in: Kritisch lexicon van de Nederlandstalige literatuur na 1945 (1982).
Eva de Visser, Geert van Beek, Het verloop van een literaire carrière; Afstudeerscriptie Nederlandse taal & cultuur,
Universiteit van Amsterdam, december 2007
(Met uitgebreide literatuurlijst)
Birgit van Beek, bibliografie van Geert van Beek, maart 1990.
Exemplaar aanwezig in het Letterkundig Museum te 's-Gravenhage.
 
Biografie(ën)

G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse, De Nederlandse en Vlaamse auteurs (1985)
G.J. van Bork, Schrijvers en dichters (dbnl, biografieënproject I) (2003-....)

Werken

Een hand boven de ogen (roman, 1960)
De gekruisigde rat (verhalenbundel, 1965)
Het Mexicaanse paardje (verhalenbundel, 1966)
Blazen tot honderd (novelle, 1967)
De steek van een schorpioen (verhalenbundel, 1968)
De 1500 meter (verhalenbundel, 1971)
Van je familie moet je 't hebben (gedichten, 1976)
De dia's van Andrea (roman, 1977)
Beeld voor dag en nacht (1982)
Een vrouw vloog naar Engeland (roman, ??1983)
Gezichten binnen handbereik (1987)
De schilder en het meisje (1990)
Veghel (1992)
De tekens van het meisje Cynthia (1993)

Film
De novelle Blazen tot honderd is door
Peter van Wijk verfilmd en uitgebracht in 1998

Een synopsis van het filmverhaal
Maurits rouwt om de dood van zijn moeder. Zijn intens bedroefde vader, een restaurateur van schilderijen, is niet in staat hem enig soelaas te bieden. Maurits ontkent de dood van zijn moeder en trekt zich terug in een rivierenland. Daar ontmoet hij Moniek. Tijdens hun zwerftocht, die ook een ontdekkingsreis is, worden ze op elkaar verliefd. Maar de heftige emotionele uitbarstingen van Maurits beangstigen Moniek. Wanneer hij zich uitleeft op een dode hond, is het teveel voor haar en wil ze hem niet meer zien.