Dit kort verhaal is gepubliceerd in Brabant Cultureel / Literair.

Kort verhaal

Emma

De dichter had gezegd, dat als zij een orgasme had er een bakelieten geur uit haar schoot opsteeg. Zij was gevallen voor zijn lichtbruine huid, in de winter leerde zij hem kennen. Zij wilde alles van hem weten. Hij liet haar een document zien, dat hij van zijn moeder had gekregen, een uittreksel van de Praefectura Apostolica Bandjermasin, een Extractum ex registro baptismali stationis Balikpapan. De naam M. Gloudemans prijkte erop. Door hem was hij gedoopt in zijn kerk St.-Theresia, die hij zelf gebouwd had, te bereiken via een steile weg omhoog en dan stond je voor een zeer Brabantse kerk. Vol tederheid had zijn moeder over bouwpastoor Tuan Glou gesproken.
Niet veel later trok hij bij haar in en zij raakte nog meer verslingerd aan hem, maar nooit zou ze hem dat vertellen, bang als ze was hem te verliezen. Zij had hem eens gezegd dat ze wel in zijn binnenzak zou willen zitten om te kunnen zien wat hij deed, zodat ze deelgenoot was van zijn leven. Hij had alleen maar geglimlacht en gezegd dat hij het een leuke gedachte vond. Ze schilderde in die tijd en haar figuratieve schilderijen naar door Frederik gemaakte foto's vond hij mooier dan zijn eigen fotografieën. Hij had nooit goed begrepen waarom ze haar eigen werk zo misprees. Ze vond figuratief maar niks. Als hij bezoek had, dan werden haar schilderijen bewonderd en steevast kreeg hij de vraag: 'Schilder jij?' Zij hield niet van zijn bezoek, dat stevig wijn dronk en rookte en was dus uithuizig. 'Nee', zei Fremel, 'kon ik het maar, mijn vriendin, die schildert.' Nooit vertelde hij dat ze vaak zijn foto's gebruikte.

Later betrok hij een optrekje aan de markt boven een café, toen zijn leven met haar hem steeds meer ging verstikken. Hij had zich alleen afgevraagd of die verstikking niet vooral door hem zelf was veroorzaakt. Gedesillusioneerd verdween zij uit zijn leven.
En Fremel was alleen.
Totdat op een dag een tenger meisje, met bruine ogen en bepoederd gezicht, haar wangen lichtrood bijna geruisloos bij hem aan tafel schoof, toen hij beneden in het café aan de markt zat. Hij las een krant en keek op toen zij vroeg:
‘Mag ik bij je aan tafel zitten?’
Ze fluisterde bijna, gelukkig zat de feeststemming er nog niet in, in de druk bezochte uitspanning.
‘Natuurlijk, en ... je doet het toch al?’
Ze glimlachte, haar ogen keken droevig.
‘Wil jij voor ons wat bestellen?’
Ze zag zijn aarzeling en zei: ‘Ik ben een beetje moe,’ ze legde haar linkerhand op zijn arm, kneep er zachtjes in en vervolgde: ‘Je lust vast wel een biertje?’
Later, ook zij dronk een bolleke, nodigde ze Fremel uit om een wandeling te maken.
Buiten, waar het nog warm was in die maand september, liepen ze over de markt. Het was druk en lawaaiig, ze gaf hem een arm en toen ze dat deed glimlachte ze weer.
‘Hoe heet je?’ vroeg Fremel. Haar linkerwijsvinger drukte ze op zijn lippen.
‘Geen vragen stellen,’ zei ze beslist, ‘je mag wel veel met me praten, maar zulke vragen mag je niet stellen, oké?’
Maar erg veel spraken ze niet. Langs het beeld van Jeroen Bosch liepen ze richting Orthenstraat, waar zij boven een wolwinkel woonde.
‘Ik woon er maar tijdelijk en mijn ouders betalen de huur en ik wil je vragen met mij mee te gaan, dan kan ik even liggen. Wil je dat doen? Ik heb het smaakvol laten inrichten. Ik denk dat jij het wel zult waarderen.’
Terwijl ze dat zei monsterde ze zijn gezicht en streek met een vinger over zijn wang.
‘Je bent een rustige jongen, je laat ook gewoon gebeuren wat gebeurt. Dat vind ik leuk in je. En ik zal wel wat eten bestellen bij een goede cateraar, want koken daar heb ik geen zin in. Je hebt toch nog niet gegeten, lijkt me?’
Hij knikte van nee en het leek alsof het meisje ineens vrolijker werd. Nee het was zo, ze was vrolijker.

De kamer was ruim en hoog en zag uit op een straat met druk verkeer. Veel aangrenzende panden waren aan een opknapbeurt toe. De vloer was van hout, de bank breed en stond centraal in de kamer, met een foulard er achteloos overheen geslagen. Tegenover de bank stond een televisie, die nog aanstond toen ze binnen kwamen, maar nu door het meisje werd uitgezet. Het meest smaakvolle vond hij dat er bijna geen meubels in stonden. Appel hing aan de muur. Zij belde een cateraar en toen zag Fremel een koffer op wieltjes, gereed voor een vlucht naar Isfahaan?
‘Wat wil je eten?’
‘Wat jij eet,’ zei Fremel.
Even later kwam ze naast hem staan aan het raam en wees naar buiten.
‘Moet je niet even liggen?’ vroeg Fremel.
‘Zie je dat raam, daar?’ zijn vraag negerend, ‘hier recht tegenover? Daar woonde een jongen die ik kende. Niet van hier, maar van vroeger, toen ik wat jonger was, hij was een stuk ouder dan ik en hield van poëzie, hij was dol op Poe en vooral op Achterberg, van wie hij altijd een bundel bij zich had. En als je hem tegenkwam dan vroeg of hij een gedicht mocht voorlezen. En dat mocht van mij, dan gingen we op een terras zitten en dan bood ik hem wat aan, hij dronk nauwelijks, en dan las hij voor. Mooi deed hij dat en ontroerend. Ik keek dan naar het bewegen van zijn mond en luisterde naar de klanken, die over zijn lippen kwamen. Hoe de wind speelde met zijn donkerblonde haar en als hij klaar was dan glimlachte ik altijd naar hem en dat deed hem goed. Dat zag je. Vaak wist ik niet eens waar het over ging. Op een dag zei hij tegen me dat hij het gevoel had op drijfzand te lopen. Ik begreep hem niet. Hij zei dat hij moeilijk had met zichzelf. Zijn waardeloosheid begon hem parten te spelen, zei hij, terwijl hij toch een eerzaam beroep had, dat van vormgever, maar of hij het ook uitoefende is me nooit duidelijk geworden. Hij zei me ook ooit dat hij als een rat in de val zat. Hij heeft me dat een keer uitgelegd. Hij vond zijn lichaam een kerker, waaruit ontsnappen onmogelijk was. En waarom? Omdat hij geen weet meer had van de wereld van de geest. En daarom las hij ter compensatie poëzie. De eeuwige cyclus van geboorte en dood veroorzaakt door een fysiek lichaam was hem als een loden last, waaruit je alleen maar ontsnappen kon als je ziel de stoffelijke wereld wist te ontstijgen.
Dat soort dingen vertelde hij me.
En op een dag stond hij bij een viskraam op de markt. Hij was in een opgewekte bui. Achterberg onder zijn oksel. Naast hem stond een man, die hij via een dichter kende en die hij de indiaan noemde, omdat hij er zo uitzag. Vond hij. En toen hij daar stond, een haring etend, noemde hij hem indiaan en toen zag hij dat er in zijn gezicht iets brak, een gevoeligheid werd zichtbaar die hij kennelijk herkende en hem tot een depressie bracht die hij nooit meer te boven is gekomen. Ze hebben hem op zolder gevonden. Hij had zich verhangen aan een hanenbalk, Achterberg lag aan zijn voeten. Hij was vriendelijk en zachtaardig en ik mis zijn voordrachten.’
‘Hoe wist je dat van die depressie?’
‘Ik heb hem vlak voor zijn dood nog gesproken en ik heb het nooit begrepen, dat hij die kleine gebeurtenis zo ernstig vond. Hij zei nog dat hij zijn excuses had aangeboden.’
'En wat antwoordde die man, heb je dat gevraagd?'
'Ja, hij zei dat het niets was en dat het verder onbelangrijk was en dat het oké was.'
Tijdens het eten was het meisje zwijgzamer. De avond viel tussen hen.
En toen ze een kaars aanstak, want aan fel licht had ze een hekel, zei ze dat hij bij haar moest blijven.
Hij keek haar aan, zag hoe het rood op haar wangen vrijwel was verdwenen. In het licht van de kaarsen zag ze bleek. Onnatuurlijk bleek. Nog voordat hij iets kon zeggen, legde ze haar wijsvinger op Fremels lippen.
Ze zou alles voor hem klaar leggen wat hij nodig had. In een kamer die grensde aan de ruime zitkamer stond haar tweepersoonsbed en toen Fremel naast haar lag, legde zij haar hoofd op zijn borst.
‘Fijn dat je bent gebleven. Bij jou voel ik me op mijn gemak.’

Rust kwam in hun ogen, de nacht wiegde hen in slaap.

Frederik Fremel zat al aan tafel, toen het meisje het ontbijt op tafel zette. Een zwarte jurk viel tot net over haar knieën, om haar middel een dunne rode riem. Haar bleekheid ging schuil achter rouge op haar wangen. Om haar heen hing een geur van uit kostbare kruiden vervaardigd parfum. Hij stond op om haar te helpen, maar zij gebaarde hem te blijven zitten. Ze was slank en mooi ondanks haar bleekheid.
‘Vergun mij enige zorg voor je te dragen, nu jij zo vriendelijk was met mij de nacht door te brengen,’ zei ze en streek Fremel over zijn wang. Een teken van genegenheid. Fremel begon zich minder op zijn gemak te voelen. Zij zag het, want ze wilde direct na het ontbijt met hem naar het museum. Een wandeling en een gesprek over museumstukken kalmeert.
Buiten gaf ze hem een arm en zei dat ze met hem wel uren in een koets - te beginnen rondom de St.-Jan - zou willen rijden. Omdat de weg daar gedeeltelijk ook geplaveid is met van die kasseien. Alleen zei ze erbij dat de rondes dan wel niet zo groot zouden zijn en dat dat dan zou opvallen. Zelfs in een veel grotere stad zijn als Rouen moest de koetsier in opdracht een flinke trektocht maken. En toen ze dat zei keek ze Fremel ondeugend aan.
‘Je hebt Madame Bovary toch wel gelezen?’
Fremel schudde zijn hoofd en begon licht te blozen.
‘Eigenlijk maar goed ook,’ zei ze toen.
In het museum zei ze dat ze Bosch erg bewonderde, terwijl ze voor een aan hem toegeschreven tekening stonden.
‘Die Bosch was een ketter. Zijn panelen bevatten geheime boodschappen, die alleen door ingewijde lieden begrepen kunnen worden. Wij zijn alleen heel moeilijk in staat om die codes te ontcijferen. Er zijn maar weinig wetenschappers, die die invalshoek hebben gekozen en als je die kiest dan ben je verdacht of op zijn minst omstreden, bij voorbaat al. Bosch wordt beschouwd als een overtuigd katholiek, die voor kerk en katholiek Spaans vorstenhuis werkte. Heb jij je daar ooit mee bezig gehouden?’
Weer begon Fremel te blozen.
‘Nee, niet echt, ben jij een Boschkenner of zo?’
Ze negeerde zijn vraag en zei:
‘Mijn vriend, die aan de wereld van de geest de voorkeur gaf, maar eraan ten onder is gegaan, die sprak vaak daarover met mij. Hij zei dat Bosch tot een sekte behoorde, naast zijn officiële leven als begenadigd en vooraanstaand schilder. Leden van die sekte hadden ketterse opvattingen. Maar ja in die tijd was je nogal gauw ketters. In wezen was het niet meer dan een variant op de bestaande leer. In zijn schilderijen zitten zijn boodschappen verborgen, die alleen ontcijferd kunnen worden door adepten. Een gebruik dat al eeuwenoud was. Die belangstelling van hem kwam voort uit een ongemakkelijk staan in het leven, zoals hij dat eens formuleerde. Hij was heel ongelukkig, voelde zich een vreemde, die zich bezig hield met zaken waar je niet mee aan kon komen bij wat hij omschreef als het gewone volk, waartoe in zijn ogen iedereen gerekend kon worden buiten hem zelf. De wereld van de katharen was de zijne en toeven in de zevende hemel het streven. En daarheen was hij op weg, zei hij altijd. Zijn geluk, dat hij met niemand kon delen, was klein: een ontluikende bloem in de tuin van een ander, een kwakende kikker in brak water, Van Eedens witte waterlelie, die hij liefhad.’
Fremel zei dat die ketters toch wel degelijk een beeld van de wereld hadden die totaal anders was dan de kerk leerde. Was de wereld volgens hen niet uit het kwaad voortgekomen?
Het meisje glimlachte, kneep in zijn arm en knikte en zei dat hij ook uit het kwaad was geboren. Daar op het verre Kalimantan aan de rand van het smaragdgroene regenwoud. En dat dat goed was.
Ze liepen terug naar de hal van het museum om van daaruit naar het terras te gaan, dat uitkeek op een beeldentuin met monumentale bomen. Toen zei het meisje, dat ze nog wat samen zouden drinken en dan was het voorbij. Ze wilde naar huis, maar niet nadat ze zijn adres gevraagd had.
‘Ik laat nog van me horen, mijn adres krijg je niet. Ik blijf niet lang meer in Den Bosch.’
Voor het museum, vlakbij het schip op het been, kuste het meisje Frederik vluchtig op de wangen en wandelde weg. Fremel keek haar na en verwonderde zich niet meer over haar broze gestalte. Haar heupen zongen een lied, een ode aan haarzelf. Haar benen gaven de maat aan. Zij is de begeleidster van de wijsheid die op muziek is gezet, dacht Fremel. Fremel dacht wel vaker van die rare dingen.
Toen hij een kaart van haar ontving een paar dagen later, in envelop verstuurd, liep hij ermee naar het museum. En daar las hij op de plek waar hij het laatst met haar gezeten had, wat ze had geschreven.


Lieve Frederik,

Je begrijpt dat dit kaartje alleen maar een afscheid kan zijn. Jij was als een geschenk uit de hemel, waarnaar ik al op weg was. Jij was de kwakende kikker in helder water, ik had de ontluikende lelie voor je kunnen zijn in mijn besloten tuin. Het is anders gelopen. Zul je me niet vergeten? Je was me zo dierbaar in die korte tijd, maar ik had geen recht op je liefde. Mijn liefde kon ik je niet geven, die was al verslonden door de tijd, een roofdier.
Je Emma

Fremel stak de kaart in een boek, een goedkope pocketuitgave, met als titel Madame Bovary. Op de voorkant van de ansichtkaart stond een fragment afgebeeld uit de Tuin der Lusten. Hij keek op en zag door de glazen wand van de galerij de dichter, die breed lachend naar hem zwaaide. Toen stond hij op.

's-Hertogenbosch, 8 oktober 2007
© Peter Kortz