Nu de Volkskrant besloten heeft tot publicatie van een ingekorte versie, kan ik mijn langere tekst het licht doen zien.

De link naar de Volkskrant:

http://www.volkskrant.nl/search/?query=peter+kortz

Het artikel over het schoolvak (Zie: Literatuur behoort tot de kunsten en moet zo gedoceerd worden) en ook een ingezonden brief over Woody Allen (te vinden onder de kop: Mijn advies aan would be juffen en meesters: Don’t be), die ons wat op de mouw speldt, zijn hier te vinden.


Hieronder volgt de volledige tekst, zoals die ooit is geschreven.

Het schoolvak Nederlands is een schrale cursus
Sterrenkunde zonder sterren

Door Peter Kortz
voltooid op 9 december 2014
gepubliceerd op 28 september 2015 in de Volkskrant (verkort) en nu integraal op pentekst.nl



Het is inmiddels al achttien jaar geleden dat Antoine Braet in NRC Handelsblad een artikel publiceerde, waarin hij schreef dat het schoolvak Nederlands een 'schrale cursus' dreigt te worden. Nederlands op de middelbare school is inhoudsloos taalvaardigheidsonderwijs en werkt een eenzijdige kijk op taal in de hand. Een jaar geleden hebben achttien verontruste hoogleraren en vier (hoofd)docenten van de Nederlandse universiteiten een brandbrief gestuurd naar de leden van de Tweede Kamer met de boodschap dat de examens Nederlands op scholen voor vwo, havo en vmbo op een bedenkelijk niveau worden afgenomen. Zij riepen daarom op 'tot een ingrijpende herziening van het eindexamen Nederlands, op alle niveaus'.
Zij voegden er nog zuur aan toe, dat het onderzoek binnen de neerlandistiek internationaal gezien weliswaar op een hoog niveau bedreven wordt aan de Nederlandse universiteiten, maar dat niets ervan op enigerlei wijze doorsijpelde in het curriculum van het vak Nederlands op middelbare scholen.

Al vele jaren staat het vak in een kwade reuk. Examens van de laatste jaren, zijn negatief in het nieuws gekomen. Vragen die gesteld werden bij de examens Nederlands, waren van een twijfelachtig allooi en bij sommige meerkeuzevragen waren alle antwoorden verdedigbaar. Leerlingen die uitgedaagd willen worden, vinden Nederlands helemaal niet interessant. En waarom niet? Omdat ze al die jaren dat ze op school zitten elk jaar hetzelfde - maar dan net iets anders - te horen krijgen. Leerlingen in de bovenbouw van het gymnasium vervelen zich, omdat de stof al bij hen bekend is en zoals iedereen weet, moet de docent zich houden aan een vastgelegd programma, dat op alle Nederlandse scholen wordt uitgevoerd. Een voorbeeld: de stof van een schoolboek (twee delen) voor de bovenbouw van het vwo,
Taaldomein geheten (inmiddels gelukkig uit de handel genomen), is op een dubbelzijdig bedrukt A4'tje samen te vatten. En wat de gebruiker van het boek aan theorie moet kennen is een belediging voor elke welwillende leerling en docent, die op geen enkele manier intellectueel worden uitgedaagd. De stof is niets meer dan een herhaling van wat in de onderbouw is behandeld met wat terminologische uitbreidingen en dat alles is gebaseerd op bijeengesprokkelde taalvaardigheidsprincipes, die ontleend zijn aan wat oude Grieken om nog iets van klassieke waardigheid aan het onderwijs te geven. En om ze bezig te houden, moeten ze een literair leesdossier samenstellen, waaraan ze mogen werken tijdens de lessen in het Open Leer Centrum, waar met grote tegenzin ('… want het is heel veel werk') de canon van de Nederlandse literatuur via knip- en plakwerk tot een samenhangend geheel wordt gesmeed en aangeleverd als zelf gemaakt werkstuk. Meestal te laat tot grote ergernis van de docent Nederlands (waar docent staat geschreven mag u ook docente lezen, hij/zij enzovoort), die er dan twee weken voor krijgt om alles na te kijken. Dat is godsonmogelijk als je aan 5 bovenbouwklassen les geeft. Dus de praktijk is veelal, dat de docent alleen nog maar nagaat of alle opdrachten zijn uitgevoerd. Is dat het geval, dan tekent hij dat de opdracht af op een overzicht. En dat was het dan. En wie denkt dat dit een karikatuur is, die heeft het mis.

Maar wie bepaalt wat de inhoud van vak Nederlands moet zijn? Het komt mij voor dat de minister van OCW verantwoordelijk is. Die laat zich 'door het veld' adviseren. En wie zijn dan die veldwerkers? Die zijn georganiseerd in instituties als het College voor Toetsen en Examens (CvTE) en het SLO. En in beide instellingen kom je dezelfde namen tegen. Is dat ernstig? Nee, vind ik niet. Hebben die veldwerkers slecht werk geleverd? Nee, integendeel. Binnen de visie die zij hebben over het vak Nederlands hebben zij veel en belangrijk werk verzet. Er zijn vele studies en onderzoeken verschenen, waarmee docenten Nederlands voor de klas hun voordeel kunnen doen.

Maar omdat al decennialang steeds dezelfde visie over het vak Nederlands wordt uitgedragen door steeds dezelfde mensen of hun paladijnen, zal er niets veranderen binnen het vak. En de mensen die weggaan worden, zo lijkt het, vervangen door collega's die dezelfde visie uitdragen. Een voorbeeld?
Een lid van het College voor Toetsen en Examens binnen de vakgroep Nederlands Hans Goosen houdt ermee op, een directe collega en oud-studente van hem Karin Blom neemt zijn plaats in. Nog niet zo heel lang geleden heb ik het CvTE een mail gestuurd naar aanleiding van een fout (naar mijn mening) in een examen Nederlands, een fout die ik toelichtte aan de hand van een toen recentelijk verschenen artikel in een vakblad. Ik ontving een nietszeggende reactie. Wel heb ik nog gevraagd naar de samenstelling van de vakgroep Nederlands bij het CvTE. Daarover verstrekt het CvTE geen informatie. Via
Examenblad.nl kwam ik op eenvoudige wijze te weten wie er deel van uitmaken. Overigens stonden de namen van de leden van de vakgroepen gewoon op de site van het CvTE. Waarom dat nu niet meer het geval is, is mij duister.

Degenen die de inhoud bepalen, dat zijn de mensen, die nu bij SLO en CvTE voor het vak Nederlands de dienst uitmaken. En sommigen van hen zitten ook nog in het CvTE. Maar zodra er sprake is van een mogelijke vernieuwing door bijvoorbeeld taalkunde als onderdeel van het vak in te voeren, dan maakt Helge Bonset, een van de sleutelfiguren binnen het schoolvak, grote bezwaren. Dan moeten we eerst navragen
welke behoeften er leven bij maatschappelijke groeperingen op het gebied van taalkunde-onderwijs. Een vreemde gedachtegang. Hebben biologen (of andere vertegenwoordigers van welk vak dan ook) ook eerst navraag gedaan welke behoeften er bestaan op bijvoorbeeld biologisch, natuurkundig of scheikundig gebied, voordat ze les gingen geven in een van deze vakken? Het onderwijs zelf - alle vakken en niet uitsluitend het vak Nederlands - heeft een maatschappelijke taak: onze leerlingen opleiden zodanig dat ze goed uitgerust een plek kunnen innemen in de samenleving geheel overeenkomstig hun talenten.

Sinds 1969 is er sprake van een (destijds) nieuwe opvatting binnen het taalonderwijs Nederlands en is sindsdien bij mijn weten niet meer ter discussie gesteld. Zij staat te boek als een 'communicatief paradigma':
taalonderwijs dient vooral communicatieonderwijs te zijn, in plaats van onderwijs dat gericht is op de formeel-grammaticale aspecten van taal. Deze bondig geformuleerde visie ligt ten grondslag aan het huidige inhoudsloze onderwijs in de Nederlandse taal op scholen voor voortgezet onderwijs. Taalkundigen vooral hebben pogingen ondernomen om het vak Nederlands meer inhoud te geven door te ijveren voor invoering van taalkunde. Al die decennialange pogingen zijn op niets uitgelopen: taalkunde maakt geen deel uit van het schoolvak Nederlands en H. Bonset heeft in 1998 er in een column (Levende Talen, 533) nog aan toegevoegd, dat taalkundigen zich de 'komende 25 jaar' niet moeten bemoeien met het schoolvak Nederlands. Deze fatwa uitgesproken door de moefti van de neerlandistiek is nog zo'n 8 jaar geldig.
Het is hoog tijd dat dit communicatieve paradigma ter discussie wordt gesteld. En deze discussie mag van mij met vele maatschappelijke groeperingen gevoerd worden. Als ze maar beargumenteerd en met kennis van zaken over de kwestie zullen spreken.

Er bestaat een merkwaardige discrepantie tussen de opleiding van de docenten Nederlands en dat wat zij mogen doceren. Elke aankomend docent krijgt drie basisvakken tijdens zijn opleiding: taalkunde, letterkunde en taalbeheersing. Zij vormen de drie fundamenten van elke opleiding aan hogeschool of universiteit. (Studenten Nederlands krijgen ook vakken als argumentatieleer, debatteren, taalfilosofie, tekst- en poëzieanalyse en dat soort zaken, maar die laat ik nu buiten beschouwing). Wat zien we terug van deze basisvakken in het voortgezet onderwijs? Van taalkunde mag je alles vergeten (behalve een klein beetje grammatica), want daarover mogen we niet meer spreken. Letterkunde is gereduceerd tot het maken van een leesdossier en voor het vwo het lezen van minimaal 12 boeken in 3 jaar. De lessen literatuurgeschiedenis zijn afhankelijk van wat de vakgroep Nederlands op scholen graag behandeld wil zien. Taalbeheersing tot uitdrukking komend in het schrijven van betogen, beschouwingen, columns en eventueel andere tekstsoorten is nog steeds een onderwerp van discussie. De door leerlingen geproduceerde teksten worden namelijk niet eenduidig door de docenten beoordeeld. Een pilot waaraan ik heb deelgenomen liet zien, dat een tekst geschreven door een leerling door 60 collega's met een cijfer variërend tussen de 3 en de 9 werd beoordeeld. Dat kan natuurlijk niet. Dus voorlopig zal schrijven geen onderdeel kunnen uitmaken van het Centraal Schriftelijk Examen Nederlands. Dat is een onverteerbare zaak.
Met andere woorden: wat de opleiding aan kennis en inzichten verschaft op vooral taalkundig gebied, daarvan sijpelt nauwelijks iets door op de middelbare school. De hoogleraren hebben gelijk.

Het schoolvak Nederlands wordt op de Nederlandse middelbare scholen gedoceerd als wiskunde zonder getallen. Elk vak op de middelbare school gaat over het vak zelf. Bij wiskunde krijgt de leerling wiskunde, inclusief de symbolen waarmee wiskundigen graag werken. Zodra Nederlands in het geding is, moet de docent elk taalkundig aspect angstvallig mijden. Alles wat met taal zelf te maken heeft is geen issue. Geen enkele tekst die een leerling onder ogen krijgt, heeft iets met het vak te maken. Wel met algemeen maatschappelijke problemen, waar die 'kritiese leraren' uit de zestiger en zeventiger jaren zo dol op waren. En af en toe als de docent het wil, maar niet als resultaat van een doordachte leerlijn, krijgen de leerlingen wat taalkundige kwesties voorgeschoteld, meestal ondergebracht onder de term taalvariatie. Om je dood te lachen.

Waarom het vak Nederlands (samen met Engels en wiskunde) tot kernvak is gepromoveerd, is mij een raadsel. We moeten af van dat uit de jaren zestig afkomstige 'communicatieve paradigma', waarbij men kennelijk het vak Nederlands als belangrijkste vak zag om leerlingen 'maatschappelijk bewust' te maken.

Een nieuwe visie
Eerst moet er een andere visie geformuleerd worden. Laat ik een voorzichtige poging doen.
Het schoolvak Nederlands beoogt leerlingen op de eerste plaats inzicht te verschaffen in taal en taalkunde, in het bijzonder die van het Nederlands. Inzicht in de formeel-grammaticale aspecten vormt de basis van een doorlopende leerlijn, die leidt naar taalkundige inzichten bij leerlingen in de bovenbouw. Verder is taalonderwijs communicatieonderwijs. Dit communicatieve aspect vindt zijn weerslag vooral in spreek-, luister- en schrijfonderwijs. Literatuur behoort tot de kunsten en dient als zodanig gedoceerd te worden. Dit nieuwe paradigma doop ik:
het taal- en letterkundig, communicatief en taal beheersend paradigma.

Taalkunde
Dit vak wordt als onderdeel van het vak Nederlands ingevoerd op middelbare scholen. Er zijn al door taalkundigen al dan niet in opdracht van de minister interessante boeken gemaakt speciaal voor leerlingen voor de bovenbouw van het vwo. Via grammatica in de onderbouw kan er een leerlijn gemaakt worden die leidt naar taalkunde. Grammatica moet dan niet gedoceerd worden, zoals dat in het verleden is gebeurd op een wijze, die terecht en misschien ook wel door Bonset als een gruwel is ervaren. Men ging daarbij uit van een taalkundige opvatting die vooral op Latijnse leest geschoeid was. Het Nederlands staat als West-Germaanse taal ver van het Latijn. Moderne taalkundige inzichten zijn het uitgangspunt, gecombineerd met nieuwe inzichten in de didactiek. Ik denk daarbij aan het belangrijke didactische werk van Peter-Arno Coppen aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die een bruikbaar model heeft ontwikkeld om op een andere manier met grammatica om te gaan. Niet meer talloze, vaak slecht geformuleerde en stilistisch wrakke zinnen ontleden ('meters maken' noemde een collega van mij dat), maar beredeneerd naar oplossingen zoeken, die aanvaardbaar zijn, want taal
'is een rommeltje' schreef professor Coppen en een gevonden oplossing is niet altijd de enige juiste. Het is goed om leerlingen te leren omgaan met het idee, dat er een andere oplossing mogelijk is. Dat stimuleert de fantasie en maakt het grammaticaonderwijs minder schools. En gebruik daarbij zinnen uit de levende taal. Ga ook te rade bij onze schrijvers en pluk uit hun romans fraaie zinnen en bied die ter ontleding aan op basis van die andere didactiek, die ook een betere voorbereiding is op de onderwerpen uit de taalkunde. En die onderwerpen zijn uiterst boeiend en leerzaam. Denk aan: menselijke taal en communicatie, taalvariatie, dialecten, taalverwerving, taalgeschiedenis, pragmatiek, semantiek en ga zo maar door. Taalkundigen kunnen talloze interessante onderwerpen voor leerlingen van het vo aandragen.
En dit onderdeel keert terug op het examen. In het algemeen is het werkveld erover eens dat taalkunde heel goed te toetsen is. En het examen gaat over het vak Nederlands en niet meer over een of ander maatschappelijk onderwerp hoe boeiend ook, zoals dat tot nu toe het geval is.

Letterkunde
Literatuur behoort tot de kunsten. De meeste schoolboeken die de geschiedenis van de letterkunde beschrijven, isoleren literatuur van de andere kunsten. Dat is een rare zaak. Literatuur bestaat niet op zich, maar maakt deel uit van de wereldliteratuur en de kunsten in het algemeen. Maar zo ziet men het bij het vak Nederlands niet als je de schoolboeken erop na slaat. Natuurlijk zijn er uitzonderingen en ik noem met name de schoolmethode van wijlen J.A. Dautzenberg (niet de romanschrijver, maar de docent, neerlandicus, educatief auteur en kenner van het werk van H. Mulisch). Hij heeft een oprechte poging ondernomen om een literatuurgeschiedenis te schrijven, die is ingebed in de kunsten. Het probleem is bij dit boek, dat de docent eigenlijk goed moet samenwerken met de vakgroep kunst. Leerlingen kijken je glazig aan wanneer je bijvoorbeeld bij de Romantiek bent aanbeland, erover spreekt en doceert en dan van je leerlingen te horen krijgt dat ze dat al 'gehad' hebben bij kunst en kunstbeschouwing. Verspilde tijd dus. De docent kunst bedenkt zich terdege of hij wel of niet zal samenwerken met zijn collega Nederlands. Die is niet zo goed op de hoogte van de kunstgeschiedenis, want dat heeft hij nooit 'gehad'. Hij is wel eens een keer onder de bezielende leiding van zijn docent naar een museum gegaan en doet dat misschien nog in zijn vrije tijd, maar dat was het dan. Ook hier wringt de schoen. Toen ik mijn masteropleiding volgde, tijdens welke ik kennis mocht maken met het vak CKV (Culturele en Kunstzinnige Vorming), maar niet met KCV (Klassieke Culturele Vorming, verdwijnt m.i.v. 2017), terwijl ik toch op een gymnasium werkte, heb ik niets opgestoken om de eenvoudige reden, dat er niets zinnigs werd verteld. Een gemiste kans. Waarom kregen wij geen gedegen inleiding in de kunstgeschiedenis en een verdieping op masterniveau op verschillende terreinen van de kunstgeschiedenis? (Ik noem 2 willekeurige onderwerpen:
De Florentijnen of Wenen rond 1900). Daar heb je wat aan en je bent een betere gesprekspartner voor je collega's in de kunst, die raakvlakken heeft met de literaire canon en met literatuur in het algemeen. Maar we moeten wel oppassen, want Helge Bonset schreef in 1993 al dat een 'terugkeer naar de dominantie van de grammatica en de literaire canon in het moedertaalonderwijs' onbespreekbaar is. U leest het goed: dat is naar de mening van de moefti van de neerlandistiek on-be-spreek-baar!! De tweede fatwa.

Taalbeheersing
Op scholen duikt zij op in de gedaante van schrijfopdrachten, meestal van zakelijke aard. Logisch ook en praktisch, want een zakelijke tekst heeft een zekere inhoud, die gekoppeld moet worden aan een tekstsoort en dat soort zaken is te doceren. Maar het schrijven zelf is een andere kwestie. Nooit heb ik het schrijven zelf geleerd. Als student krijg je een schrijfopdracht, die voer je uit. Je krijgt commentaar van een medestudent, een 'critical friend' en je opdracht is dan meestal wel voldoende voltooid. Niets mis mee hoor, er rammelt altijd wel wat aan je teksten. Maar het schrijven zelf? Men gaat ervan uit dat je dat al kunt kennelijk. (Ongetwijfeld zult u deze omissie in mijn opleiding al opgemerkt hebben toen u aan deze tekst begon). En als je je studie hebt afgemaakt en voor de klas komt te staan, heb je dan nog tijd om je te blijven oefenen in het schrijven, om je vaardigheid te vergroten? Natuurlijk niet. Toch wordt van de docent verwacht dat hij in staat is een gefundeerd oordeel te vellen over de schrijfproducten van zijn leerlingen. Bonset heeft tijdens een conferentie van het schoolvak Nederlands ooit gesuggereerd, dat professionals dan maar de schrijfproducten moeten beoordelen. Dat is natuurlijk onmogelijk en een te kostbare zaak, daar heeft de minister geen geld voor (over). Maar deze gedachte stoelt wel op de vooronderstelling, dat docenten Nederlands niet goed in staat zijn schrijfsels te beoordelen. Dat zou best wel eens waar kunnen zijn, zonder dat ik mijn collega's wil beledigen, maar de genoemde pilot heeft uitgewezen dat er geen consensus valt te bereiken over het geven van cijfers voor teksten van leerlingen.

Al jaren is de klacht dat studenten aan hogescholen en universiteiten hun Nederlandse taal niet goed machtig zijn. Ze spellen slecht, ze kunnen niet goed formuleren, niet goed hun gedachtes in een helder stuk uiteenzetten. En dat komt door het onderwijs in het Nederlands op de middelbare school, toch?
Bonset heeft in een studie aangetoond dat er geen enkele relatie bestaat tussen grammatica en taalvaardigheid. Dus is zijn conclusie, dat je geen aandacht aan grammatica hoeft te schenken. Dat blijkt ook wel uit zijn
Nederlands in de onderbouw (2013), een praktische didactiek waarin er geen enkele aandacht is voor grammatica. Ik begrijp werkelijk niet waarom. Als kennis van de grammatica geen invloed heeft op de taalvaardigheid, wat let ons dan grammatica te geven? En Bonset vergeet zich af te vragen waaraan het dan wel ligt, die armzalige taalvaardigheid. Er is maar een antwoord mogelijk: aan het huidige onderwijs in het vak Nederlands.

Het moet anders
Het is dus hoog tijd, dat er wat gaat veranderen. Hieronder schets ik de mogelijke contouren van een vernieuwing.
Het schoolvak Nederlands wordt opgesplitst in drie disciplines: taalkunde, letterkunde en taalbeheersing. De leerlingen krijgen onderwijs van specialisten in een van deze vakken. Aan de opleiding van docenten hoeft niet getornd te worden. Hogescholen en universiteiten leveren docenten af, die gespecialiseerd zijn op masterniveau in een van deze vakken, waarin zij les zullen geven. De verschillende deelvaardigheden kunnen ondergebracht worden bij een van de disciplines. Zo kan spelling bij taalkunde gaan horen en debatteren bij taalbeheersing. Spreken en luisteren horen bij alle drie de disciplines. Met een beetje fantasie komen we hier wel uit. Deze aanpak sluit ook mooi aan bij de huidige situatie in het onderwijs, immers vooral parttimers bevolken de middelbare scholen. Er is geen docent Nederlands meer, die verantwoord een volledige baan kan nemen. Op het eindexamen keren de drie onderdelen terug en het schoolvak Nederlands blijkt nu ineens een vak met inhoud en niveau. Voor de examinering van taalkunde en letterkunde kunnen we een voorbeeld nemen aan de examens bij geschiedenis en de kunstvakken.

Een aantal problemen helpen we hiermee de wereld uit. Het vak Nederlands moeten de leerlingen nu wel serieus nemen en is geen herhaling meer van reeds gemaakte zetten. Letterkunde ontstijgt het niveau van handelingsdeel en taalbeheersing valt nu onder de hoede van specialisten, die Bonset zo graag wilde inhuren. Dat hoeft nu niet meer en de minister zal reuze blij zijn. En de docenten Nederlands ook. Want die zijn nu eindelijk verlost van een belachelijke hoeveelheid werk. Al jaren is de docent Nederlands de risee van het docentencorps. Hij is de enige met een wekelijks terugkerende berg correctiewerk, hij is de enige die zulke grote klassen heeft, variërend tussen 25 en 32 leerlingen. Daarnaast doet hij de schoolkrant, de toneelgroep, het jaarboek, begeleidt de debatclub, organiseert hij theaterbezoek en dat naast ellenlange vergaderingen en drukbezochte ouderavonden. De docent Nederlands is jaloers op zijn collega's. U gelooft het niet? Ik heb in mijn werk kunnen constateren, dat een collega wiskunde een groepje had van 7 leerlingen, bij aardrijkskunde 15, bij het vak Frans 12. Bij het vak Nederlands altijd volle bak! Aan deze wanverhouding moet met onmiddellijke ingang een eind gemaakt worden.

Aanbevelingen
Als het schoolvak Nederlands werkelijk een vak wil zijn, dan moet er inhoudelijk wat veranderen en begin daarmee in het vwo. Als het vak Nederlands een kernvak is, dan moet het ook als zodanig gezien en behandeld worden. Als we de moedertaal belangrijk vinden, dan moet er ook aandacht zijn voor de moedertaal. De klassen mogen niet meer dan 20 leerlingen bevatten. En dat wordt bij wet geregeld. Dan zijn we van dat gemekker hierover in het onderwijs af. Elke docent, los van de discipline die hij doceert, is een master in zijn vak, ook in de onderbouw. Daarmee voorkom je dat beunhazen Nederlands geven in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Scholen kunnen goedkoop iemand inhuren om Nederlands te geven, want dat kan toch iedereen. Ik heb deze beunhazerij met eigen ogen kunnen aanschouwen.
Elke toekomstige docent letterkunde krijgt op bachelor niveau een gedegen inleiding in de kunstgeschiedenis en op master niveau een uitbreiding en verdieping. Literatuur krijgt hopelijk op die manier de plaats waar zij thuishoort: binnen de kunsten. Elke letterkundedocent leest verplicht een aantal werken uit de Europese (inclusief de Russische) en Amerikaanse literatuur, die daar tot de canon horen en maakt grondig kennis met de bijbehorende literatuurgeschiedenis. Misschien dat deze verzwaring kan leiden tot een master die langer moet duren. Dat moet dan maar. Nederlands is toch een kernvak of waren we dat alweer vergeten?
En het allerbelangrijkste volgt nu: er moet een lange lees- en voorleeslijn komen, die begint op de basisschool en eindigt in de examenklassen. Immers lezen vergroot de taalvaardigheid als geen ander onderdeel binnen ons vak. En leerlingen houden ervan als je ze voorleest. Er zijn genoeg korte verhalen geschreven die (
voor)leesbaar zijn en bruikbaar in de lessen en schrijvers voelen zich ongetwijfeld uitgedaagd om nog meer korte verhalen te schrijven, die ook geschikt zijn voor basisschool en voortgezet onderwijs. De J.M.A. Biesheuvelprijs zal de belangrijkste Nederlandse literaire prijs worden. Natuurlijk blijven romans ook deel uitmaken van de letterkunde. Wees niet beschroomd om een canon samen te stellen en trotseer schuimbekkende schrijvers, die zullen spreken van staatspedagogiek, maar heb dan wel het lef, niet alleen de vermolmde poortwachters te raadplegen als ze nog bestaan, maar vooral ook de lezers.

Wie vindt dat het vak Nederlands geen verandering behoeft, zegt daarmee dat hij tevreden is over een vak dat als sterrenkunde zonder sterren wordt gedoceerd.